"Tafeltennissen is een kwestie van transsubstantiëren"
Interview met Ping Kang
Op 17 mei j.l. werd Ping Kang (1979) clubkampioen van Xerxes. Als de voortekenen ons niet bedriegen zou dit, gezien de nog jeugdige leeftijd van de kampioen, wel eens het begin van een langdurige hegemonie kunnen blijken te zijn, een hegemonie die later bekend zou kunnen raken als de 'Ping-dynastie'. Ping kwam in 1994 uit China naar Rotterdam en werd prompt lid van Xerxes. Tot verbazing van velen ging hij echter competitie spelen bij De Korenbeurs. Dit voorjaar kwam de bezinning. Ping zag zijn misstap in en keerde terug op het oude nest. Terugkijkend op de laatste vier jaar geeft hij aan dat hij een fase van emotionele onbalans heeft doorgemaakt die heeft geleid tot een aantal beslissingen in zijn leven die hij inmiddels betreurt. Daar wil hij liever niet verder op ingaan. Zoals een oud Chinees spreekwoord zegt: 'gedane zaken nemen geen keer'. Wel zijn er andere onderwerpen waarover hij best eens wat diepgaander van gedachten wil wisselen. Een gesprek over materialisme en taoïsme, over Chinezen en Eurochinezen, en natuurlijk over de kunst van het tafeltennissen.
Arthur Wortmann: Hoewel je al een aantal jaren regelmatig bij Xerxes achter de pingpongtafel te vinden bent heb ik de indruk dat de meeste Xerxanen nauwelijks weten wie je bent en wat er in je omgaat. Je vertoont je weinig aan de bar en ook bij de traditionele mosselavonden, golfcursussen, volleybaltoernooien en turfschepwedstrijden ben je in de regel niet van de partij. Voel je een bepaalde culturele barrière?
Ping Kang: Ik denk dat je dat inderdaad wel kan stellen. Begrijp me goed: Xerxes is naar mijn idee absoluut de sympathiekste tafeltennisvereniging van Rotterdam en omstreken (en ik kan het weten, want ik heb De Korenbeurs meegemaakt), maar het moet me van het hart dat er enkele gebruiken zijn die me teleurstellen en die me een zeker gevoel van culturele ontheemding geven. Een enkele keer heb ik me wel eens een avondje onopvallend in een hoekje van de bar genesteld en heb ik geluisterd naar wat jullie bezighoudt en waar jullie over praten. Ik ben behoorlijk geschrokken. Bijna alle gesprekken gaan over geld en consumptiegoederen - en dan bedoel ik niet de consumptiegoederen die types als Bertus en Karel in grote hoeveelheden in hun keel gieten. Iemand als Frans praat over niets anders dan computers, Jeanette zit altijd op te scheppen over haar nieuwste modellen Bally-schoenen, René zaagt maar door over zonnige zandstranden en pronte prostituées, Joost heeft het altijd over zijn nieuwe stiften (hoewel dat in China meer iets is voor kleine kinderen) en Khaled zet steeds opnieuw de voordelen van de Hyundai af tegen de nadelen van een Porsche. Jullie zijn echt helemaal in de ban van het materiële gewin, van de uitzet en de inboedel. Vooral de vele gesprekken over auto's ergeren me. Zien jullie niet in dat dit hele land één grote vervuilende file aan het worden is? Jullie zouden wat meer moeten fietsen, zoals wij in China doen. En naast alle concrete problemen die de auto veroorzaakt is hij ook nog eens hèt symbool van de decadente, gedegenereerde westerse maatschappij. Heel typerend vind ik dat je autoportieren alleen maar dicht kunt sláán. Is dat nou een teken van beschaving? Overal om je heen hoor je het: wháám, wháám, sláán met die deuren! Daar word ik intens droevig van.
AW: Ik ben enigszins verrast door de felheid van je reactie, al zie ik wel in dat er veel waars zit in wat je zegt. Waarom heb je gewacht tot dit interview om dit ongenoegen te laten blijken? Waarom meng je je niet in de discussies aan de bar en leer je de Xerxanen hun geestesleven wat beter te ontwikkelen?
PK (zuchtend): Ach, zo zit ik niet in elkaar. Op de lagere school in China is mij het confucianisme met de paplepel ingegoten, dus je zult begrijpen dat voor mij de ethiek vooropstaat. De ware beschaving vind je in de menselijke verhoudingen of, beter gezegd, in de innerlijke deugden die de relatie tot je medemens bepalen. Eén van mijn best ontwikkelde innerlijke deugden is het respect voor de opvattingen van de ander, ook al zijn die strijdig met mijn eigen moraal.
AW: Je noemt het confucianisme, maar in deze passieve en afwachtende houding klinkt toch ook een flinke portie taoïsme door.
PK: Dat zou best kunnen. De Chinese autoriteiten, die graag ongestoord genieten van hun corrupte praktijken, hebben natuurlijk altijd het taoïsme gepredikt, juist vanwege de lijdzaamheid en het conformisme waartoe dit oproept. Als je in China opgroeit raak je daarmee besmet, dat lijdt geen twijfel. Toch heeft een deel van de bevolking zich hieraan weten te onttrekken, getuige de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. Hoewel ik destijds nog maar een kind was - of misschien wel juist omdat ik nog maar een kind was - heeft die sfeer van verzet natuurlijk een geweldige invloed op me gehad. Maar vreemd genoeg heeft mijn komst naar Nederland me weer teruggeworpen in de oude overtuigingen.
AW: Dat moet je uitleggen.
PK: Kijk, ik voel me intussen een Eurochinees. Op het Plein van de Hemelse Vrede werd gevochten voor een ideaal, voor de vrijheid. Dat was echt menens. Het ging om leven en dood. Maar met de komst naar Europa werd die utopie, die begerenswaardige, schier onbereikbare vrijheid plotseling realiteit. Wij Eurochinezen zijn vrij, sterker nog, wij hebben een overmaat aan vrijheid. Als in een inhaalbeweging zijn wij gaan inzien wat jullie al lang wisten: dat totale vrijheid een gevangenis is. Als alles mag, wat valt er dan nog te willen? Dat was een heel confronterend inzicht en het heeft me tijd gekost om daarmee in het reine te komen. Ik ben me gaan verdiepen in enkele Europese filosofen en werd geraakt door Sartres idee dat we tot vrijheid 'veroordeeld' zijn. De Heideggeriaanse 'Angst' die daaruit voortvloeit - en die ik in al mijn vezels voelde - compenseren we met sociaal gedrag. Plotseling zag ik in waarom de Chinese gemeenschap zo hecht is, waarom wij Chinezen ons zozeer aan elkaar vastklampen, waarom we ook binnen Xerxes een clan vormen. Het is vluchtgedrag. Uit angst voor de individuele vrijheid die ons in de schoot is geworpen en die we niet aankunnen koesteren we een groepsgevoel waarin we onze zelfopoffering kunnen botvieren. Nu begrijp ik wat Sartre in zijn toneelstuk Huis clos zo meedogenloos liet zien: de hel, dat zijn de anderen. Sociale rolpatronen, dat zijn de valkuilen van het leven.
AW: En toen moest je je losmaken uit die ketens van de gewenning en jezelf een nieuw doel in je leven stellen. Je zag in dat vluchten niet zou baten en dat wachten op een openbaring een langdurige affaire zou worden. Je kunt tenslotte niet de rest van je leven op Godot gaan zitten wachten, om met Beckett te spreken.
PK: Precies, je haalt me de woorden uit de mond. In plaats van te vluchten of te wachten ben ik gaan zoeken. En ik heb ontdekt dat ik niet ver hoefde te zoeken. Juist in zaken die heel dicht bij me stonden lag de zingeving voor het oprapen. Bijvoorbeeld in het tafeltennis. Ik ben het tafeltennisspel op een nieuwe manier gaan begrijpen. Tafeltennissen is een middel om je eigen spiritualiteit te vergroten. Daartoe moet je proberen één te worden met de krachten die in het spel werkzaam zijn. Die krachten uiten zich in de beweging van de bal. De bal is een projectiel dat enerzijds natuurkrachten als de zwaartekracht, maar anderzijds ook de in de beweging van de batjes veruiterlijkte innerlijke krachten van de twee opponenten - zeg maar de 'wil tot macht' - in zich verzamelt. De kunst van het tafeltennis bestaat er nu uit om op een geestelijk niveau te versmelten met de bal en om aldus de krachten die je sturen te ervaren. In de baan van de bal ontdek je dan de tao, de weg. De bal, dat ben ik. Daar gaat het om in het pingpongspel: je moet helemaal bal worden. Als je kijkt naar de Xerxesleden dan zie je dat sommigen dit vermogen bezitten. Jaap heeft het soms, Henk Kruize ook. Aad bijvoorbeeld weer absoluut niet. Die zal nooit bal worden. Het tafeltennissen draait om deze geestelijke metamorfose, om deze omgekeerde transsubstantiatie. Tafeltennis is pure metafysica. Wat Harry aan de bar zoekt in de verdovende drugs zou hij gewoon in de speelzaal kunnen vinden. Hij moet alleen beter zoeken.
AW: Is deze spirituele houding er ook de oorzaak van dat je spelpeil zo hoog ligt en dat je in de finale van het clubkampioenschap geen kind had aan Rob, dat je hem zelfs de indruk kon geven dat hij een kans had om te winnen?
PK (beslist): Nee. Dat is natuurlijk een gevolg van de morfogenetische velden. Dat is gewoon het geluk dat je hebt als je Chinees bent. Omdat er zoveel Chinezen tafeltennissen is het door morfogenetische resonantie voor ons veel eenvoudiger het spel te leren. Het is onderdeel geworden van onze genen.
AW: Maar dat zou toch moeten betekenen dat iemand als Lo op hetzelfde niveau zou moeten presteren? Hij heeft toch ook Chinese genen?
PK: Waarschijnlijk zijn er in zijn geval bepaalde remmende krachten werkzaam. Als tafeltennisser heb je natuurlijk ook te maken met de kan-yu. Kan-yu betekent letterlijk 'deksel-steun' en is de mystieke wetenschap van het passen der dingen. In het tafeltennis moet alles passen, dat is duidelijk. De bal moet over het net passen, het rubber moet op het hout passen, je voeten - ook heel belangrijk - moeten goed in je schoenen passen, enzovoort. Bij Lo gaat dat niet op. Zijn broek past niet. Die is te klein, waardoor je altijd zijn bilspleet ziet. De kan-yu is dus niet in evenwicht en dat speelt hem parten.
AW: Ik begrijp het. Er is me in dit gesprek veel duidelijk geworden en ik wil je dan ook danken voor je openhartigheid. Rest me nog één punt van orde. Je weet dat dit een estafette-interview is
PK: Huhhh, wat ?
AW: een estafette-interview, ja. Het is nu jouw beurt om iemand naar keuze voor de Xerxaan te interviewen. Zoals het oude Chinese spreekwoord luidt: 'wie de bal vangt moet gaan kaatsen'.
PK: Kut Als ik dat geweten had
Voor vragen of opmerkingen e-mail naar ttc@xs4all.nl